Tahis werkt nu aan haar toekomst
Iedereen in Qasr-e Anbia en omstreken had het erover. De nieuwe meisjesschool! Toen de naar Nederland gevluchte architect Sultan Ahmad Fayaz voor de opening in Afghanistan was, werd hij dan ook onder complimenten bedolven. Wat een prachtschool! Een groepje mannen huilde. “Alle mannen bij de opening waren blij”, blikt Harrie van Abel, Fayaz’ vriend en medeoprichter van de stichting Een school voor Herat, twee maanden later terug. “Jammergenoeg inderdaad alleen mannen. De vrouwen mochten er niet bij zijn. Zelfs de directrice mocht niet komen. Dat gaat gewoon zo in Afghanistan.” Vrouwenonderdrukking is in Afghanistan ingebakken in het systeem. Precies dáárom werkte oudonderwijzer Van Abel mee aan Fayaz’ project. “Dat het om een meisjesschool gaat, is voor mij belangrijk”, zegt hij. “Ik hoop dat de meisjes een betere toekomst krijgen.” De meisjes zelf, die onder de Taliban zes jaar binnenzaten, hopen dat ook. Ze willen dolgraag naar school. Aan de tekening van Tahis op deze pagina is dat te zien. De vraag is alleen: hébben deze meisjes wel een toekomst? Fayaz denkt van wel. “Er zijn veel leerkrachten nodig, dus meisjes kunnen onderwijzeres worden. Of bij niet-gouvernementele organisaties gaan werken, bijvoorbeeld als sociaal werker voor vrouwen en kinderen. Mannelijke medewerkers mogen de huizen niet in, vrouwen wel.”
Gewoon beginnen
Fayaz zelf ontwierp de meisjesschool – voor zijn vlucht naar Nederland was hij in Afghanistan restauratiearchitect –, en bouwde haar samen met lokale mensen. “De school is een impuls voor de werkgelegenheid”, zegt hij. Intussen is de school overgedragen aan het verantwoordelijke ministerie. In Herat kan dat. De provincie is een betrekkelijk veilig deel van Afghanistan. “Maar zonder risico is het ook niet”, zegt Van Abel. Fayaz: “Mijn motto is: risico’s zijn er altijd. Je moet gewoon beginnen.” 400 meisjes gaan nu naar school. Dat moeten er 1.000 worden. Aan de tweede vleugel wordt gewerkt, leermiddelen en meubilair zijn ook in aantocht. Fayaz: “We hebben veel te danken aan de Nederlanders. Zonder hun hulp was de school er niet gekomen.”